What really surprises me is the part were Moss mentions the covering of the corpse:
Cynthia Moss recorded the responses of a community of elephants to one of their members being shot by a poacher. As the struck elephant’s knees buckled and she began to go down, her elephant comrades struggled to keep her upright. ‘‘They worked their tusks under her back and under her head. At one point they succeeded in lifting her into a sitting position, but her body flopped back down. Her family tried everything to rouse her, kicking and tusking her, and Tallulah even went off and collected a trunkful of grass and tried to stuff it into her mouth.’’ After she died, her friends and family members covered the corpse in dirt and branches. [1]
1. Shermer (2004:31) quotes Cynthia Moss (1988).
Contemporary theories of religion Red. Michael Stausberg verder gelezen, specifiek: ‘‘Religion as the unintended product of brain functions in the ‘standard cognitive science of religion model’: on Pascal Boyer, Religion explained (2001) and Ilkka Pyysiäinen, How religion works (2003)’’ van Jeppe Sinding Jensen en ‘‘Religion as evolutionary cascade: on Scot Atran, In gods we trust (2002)’’ van Joseph Bulbulia.
Beide overzichten verwijten de besproken auteurs de impact van cultuur op het brein te onderschatten. Atran zou een aanvulling zijn op Boyer in de zin dat cognitie alleen geen voldoende voorwaarde is voor het voortbestaan van de investering in religieuze denkbeelden en handelingen; Atran voegt daaraantoe de signaalfunctie voor het bewerkstelligen van samenwerking (volgens Bulbulia). Atran kent ook (aanvullende) aantrekkingskracht toe aan religie in het kader van akelige dingen (dood en zo) waarvan we wensen dat die anders zouden zijn. Atran zou een meester zijn in het bijelkaar puzzelen van onafhankelijk onderzochte zaken die gecombineerd met elkaar licht werpen op het voortbestaan van religie.
Bulbulia denkt dat religie als cultureel verschijnsel wel degelijk een soort adaptatie in het brein heeft bewerkstelligd, die extra informatie uit het culturele, externe veld nodig heeft om goed te ontwikkelen (als ik het goed begrijp). Bulbulia stelt dat de laatste jaren de informatie die cultuur buiten het organisme voor het organisme bewaard door onderzoekers beter op waarde wordt geschat (beter dan door Atran in zijn 2002).
Terugkomend op dat Bulbulia ons besef van de naderende dood uit Atran heeft gelicht: ik moet het nog nalezen in Atran zelf, maar het lijkt me dat Boyer toch al had aangegeven dat religie niet universeel afrekent met angst voor de dood. Best veel religies zwijgen daarover. Maar het kan natuurlijk wel zo zijn (lijkt mij) dat een religie die wel voorziet in een oplossing voor dat psychologische probleem, succesvoller is en trouwere aanhang heeft. Het is dus geen oorzaak voor het ontstaan van religie, maar kan de kansen van een religieus systeem wel vergroten. Denk ik.
Democracy cannot dominate every domain—that would destroy expertise—and expertise cannot dominate every domain—that would destroy democracy (Harry Collins & Robert Evans, 2007:8).
Traufetter (p. 96) noemt twee niet noodzakelijk overlappende punten bij trage of slechte beslissers. Aan de ene kant kan de functie in het brein die de uitkomst van een potentiële beslissing visualiseert en toetst op emotionele waarde (bijvoorbeeld via patroonherkenning) bij bepaalde mensen zorgvuldiger werken en daardoor meer negatieve uitkomsten ontdekken. Traufetter geeft een citaat van Peter Ustinov als illustratie hierbij: ‘Moed is vaak een gebrek aan inzicht, terwijl lafheid niet zelden op goede informatie berust.’
Aan de andere kant kan deze functie in het brein van iemand die veel slechte ervaringen heeft gehad een sterker waarschuwingssignaal gaan geven voor keuzes die de persoon later zou kunnen betreuren - als gevolg waarvan het beslissingsproces wijzigt. Traufetter gaat niet in op de details maar schrijft eenvoudig dat zo iemand ‘slechter beslissingen [zal] kunnen maken’ (p. 102). [1][2]
1. Traufetter lijkt te suggereren dat er een neerwaartse spiraal is: na een aantal slechte ervaringen verslechtert het beslissingsproces, waardoor de persoon opnieuw beslissingen neemt die een slechte afloop hebben, etc. Traufetter geeft echter geen details om de suggestie verder te onderbouwen. Ondanks dat Traufetter veel wetenschappers zelf heeft geïnterviewd en redelijk wat verwijzingen geeft bevat zijn boek veel stellingen die in de lucht blijven hangen.
2.
Beide punten doen me denken aan schema theorie. Ons vermogen om ons een voorstelling te maken van dingen - zowel dingen die we meegemaakt hebben als hypothetische voorstellingen - en daar dan iets bij te kunnen voelen en denken (de evaluatie) is kennelijk hard wired in ons brein. Maar de manier waarop we dat vermogen gebruiken verschilt mogelijk per persoon (en zal dan deels of geheel aangeleerd zijn).
Mensen kunnen een lang of een kort beslissingsproces hebben, verschillende manieren om nieuwe of oude informatie te betrekken bij het beslissingsproces, etc. Helaas heb ik geen goede verwijzing voor deze toevoeging. Ik kan nu direct alleen een hoofdstuk uit het NLP boek Heart of the mind (pp. 166-167) vinden dat hierop ingaat - maar dat is puur anekdotisch (en selectief in het geven van alleen succesverhalen).
[Daniel Schacter] was ervan overtuigd dat niet alleen bij amnesiepatiënten [...] onbewust informatie opgeslagen wordt, maar ook bij gezonde mensen. Dit is het duidelijkst waar te nemen wanneer ook bij hen het bewustzijn is uitgeschakeld, namelijk onder narcose. In de operatiekamer las Schacter enkele patiënten woordenlijsten voor. Nadat ze uit narcose kwamen overhoorde hij hen. En inderdaad: zij gaven de voorkeur aan de woorden die ze eerder gehoord hadden (Traufetter, p. 81).